Sunday, October 14, 2012

IMF admits that neoliberalism does not work



The last statement of the International Monetary Fund passed through the media without much notice. The IMF’s apologies for its calculation errors nevertheless should have had the impact of a nuclear bomb. The main global financial regulator admitted that recent calculations proved their own models proved to be wrong. The multiplier of 0.5, used by the Fund, proved to be much underestimated, as according to recent studies, it should have been between 0.9 and 1.7. This is particularly important becuse  if the so-called multiplier is above 1, it means that the whole logic behind neoliberalism is based on lies and fabrications.
 
The Multipliers we are talking of, are the so called multipliers in the macro-economic theory which estimate growth as  consequence of government intervention. If a government spends money, this will stimulate growth of the economy through increased demand, for example by building infrastructure, stimulating the creation of jobs and thereby of purchasing power.
To be able to spend this money, however, the government should get the money somewhere. This is done by either taxation, either through debt issuance. This also causes money to disappear out of the economy which otherwise could have been consumed by people who would not have to pay taxes, or individuals could borrow.
The ratio of public money spent and the created growth is called the government multiplier. This multiplier has always been at the core of the huge debate between the two dominant schools of macroeconomists.
For Keynesian economists, the multiplier is bigger than 1, meaning that for every dollar that the government spends, there would be created more than a dollar of growth. This theory legitimized at the macroeconomic level, the expansion of the welfare state, which was the result of a compromise between social classes, entailing some redistribution of wealth within capitalist system
The so-called monetarists however, the macroeconomic flow behind neoliberalism, assumes that government by definition would be inefficient. Only the private market, as a result of free competition, could entail the most efficient outcomes. Any form of government intervention would therefore be harmful to the economy.
The reasoning is as follows: For every dollar that the government takes away from investors and consumers, through debt issuance or taxation, these would be used less efficiently, compared to use based on the individual preferences of consumers and investors in an environment of free market competition. The result of a euro government spending would be thus generate a net income of less than 1 euro. According to this school of economic theory the government multiplier is therefore smaller than 1.
The latter theory therefore defends public expenditure to be as small as possible, as this expenditure would be relatively inefficient. The more the government would be reduced, the more indirect growth there would be. The negative growth by decreasing government expenditure provoking falling demand, would be compensated by  the released that would end up back with the consumers and investors in particular, who would guarantee a larger more efficient growth.
This latter economic school legitimates neoliberalism, which has become  the dominant policy framework, since Thatcher and Reagan, and became the only valid truth in classical economic courses. This theory has legitimized the breakdown of the welfare state since the fall of the Soviet Union and the collapse of European social democracy. It is also the economic theory behind the recent austerity plans imposed by the European Commission, particularly in southern Europe.
Now, however, the IMF, the world's highest financial authority, comes with a “mea culpa”. According to its own recent studies, in periods of economic downturn, during crises of capitalism, the multiplier is not 0.5, but 0.9 to 1.7. This means that the IMF admits that austerity has net negative effects on the economy. Their own study thus settles the wrongness of neoliberalism, and with it the ideology and policies that they themselves have defended for decades and have driven millions of people to hunger, misery and death.
This also means that we now know that the IMF at least is aware of the fact that current economic policies will lead nowhere and the institutions of the capital have no ideas and alternatives to solve their crisis. It also means that now the way is open for real alternatives, alternatives to neoliberal capitalism.

Tuesday, October 9, 2012

IMF geeft toe dat neoliberalisme niet werkt



Als een fait divers passeerde het gisteren de Vlaamse media, het laatste statement van het Internationaal Monetair Fonds. De verontschuldigingen voor de rekenfouten vanuit het IMF hadden nochtans moeten inslaan als een bom. De belangrijkste financiële regulator ter wereld paste immers zijn modellen aan, nadat haar berekeningen fout bleken te zijn. De multiplicator van 0,5 werd als veel te laag ingeschat en zou volgens recente studies tussen de 0,9 en 1,7 liggen. Dit is bijzonder belangrijk, want indien de zogenaamde multiplicator boven 1 ligt, wil dat zeggen dat de hele logica achter het neoliberalisme op leugens en verzinsels gebaseerd is.

De Multiplicatoren waar we het over hebben zijn de zogenaamde multiplicatoren van de groei door overheidsinterventie in de Macro-economische theorie. Als de overheid geld uitgeeft, dan stimuleert dit de groei van de economie; door de toegenomen vraag, bijvoorbeeld door een bouw van infrastructuur, stijgt immers de werkgelegenheid en daarbij ook de koopkracht. Om dit geld echter te kunnen uitgeven moet de overheid het geld ergens gaan halen; dit doet ze door ofwel belastingen te heffen, ofwel door schulduitgifte. Hierdoor verdwijnt dus ook geld dat anders had kunnen geconsumeerd worden door mensen die belastingen niet zouden moeten betalen, of particulieren hadden kunnen lenen. De verhouding tussen het uitgegeven overheidsgeld en de veroorzaakte groei is de zogenaamde overheidsmultiplicator. Deze multiplicator is steeds voer geweest voor enorm debat tussen macro-economen.
Voor Keynesiaanse economen is deze multiplicator groter dan 1, dat wil zeggen, voor elke euro dat de overheid extra uitgeeft, zou er meer dan een euro groei veroorzaakt worden. Deze theorie legitimeerde op macro-economisch niveau de uitbouw van de welvaartstaat, die het resultaat was van een compromis tussen de sociale klassen en een zekere herverdeling van de rijkdom binnen het kapitalisme met zich meebracht.
De zogenaamde monetaristen echter, de macro-economische stroming achter het neoliberalisme,  stelde dat de overheid onefficient zou zijn. Enkel de private markt, zou als gevolg van vrije concurrentie de meest efficiente oplossing bieden. Elke vorm van overheidsinterventie zou dus schadelijk zijn voor de economie. De redenering ging als volgt. Voor elke euro dat de overheid wegneemt bij investeerders en consumenten, via schulduitgifte of belasting, zou deze minder efficiënt worden ingezet, dan door de eigen voorkeur van deze consumenten en investeerders in een vrije markt en concurrentie; het resultaat van één euro overheidsuitgaven zou dus een nettoresultaat  genereren van minder dan 1 euro. Volgens deze stroming is de overheidmultiplicator dus kleiner dan 1.
Deze laatste theorie verdedigt dus zo klein mogelijke overheidsuitgaven, aangezien deze inefficiënt zouden zijn. Hoe meer de overheid teruggedrongen zou worden, hoe meer onrechtstreekse groei er zou zijn. De economie zou dan wel negatief groeien door dalende uitgaven van de overheid en dalende vraag; maar het vrijgekomen geld zou terug terecht komen bij consumenten en vooral investeerders, die een grotere meer efficiente groei zouden garanderen. Het is deze laatste economische theorie die het neoliberalisme legitimeert, en sinds Thatcher en Reagan de dominante beleidslijn is geworden; als enige waarheid geldend binnen de klassieke economische opleidingen. Deze theorie heeft de afbraak van de welvaartstaat na de val van de Sovjet-unie en de verzwakking van de sociaal-democratie gelegitimeerd. Het is ook de economische theorie achter de recente besparingsplannen die door heel Europa worden opgelegd, in het bijzonder in Zuid-Europa.
Nu komt het IMF, ‘s werelds hoogste financiële instantie echter met een mea culpa. Volgens haar eigen recentste studies blijkt in periodes van laag-conjuntuur, van crises van het kapitalisme immers dat de multiplicator niet 0,5 bedraagt, maar 0,9 tot 1,7. Dit betekent dus dat het IMF toegeeft dat besparingsmaatregelen dus een netto negatief hebben op de economie, dat achteraf niet hersteld wordt. Hiermee beslechten ze eigenlijk met een eigen studie het ongelijk van het neoliberalisme en de ideologie dat ze zelf decennia verdedigd hebben en die miljoenen mensen de honger, miserie en dood hebben ingejaagd.
Hiermee weten we ook dat het IMF tenminste al beseft dat de huidige economische politiek nergens toe zal leiden en de instituties van het kapitaal met de handen in het haar zitten om de crisis op te lossen. Het betekent ook dat de weg open ligt voor echte alternatieven, alternatieven op het neoliberale kapitalisme.

Monday, October 1, 2012

Over Crisis, fiscale devaluatie en rechtvaardigheid

Brief aan mijn oud-promotor in de Algemene economie Prof. Koen Schoors; bedenkingen bij zijn column in DM 1/10/2012



Beste Professor Schoors,


Ik las deze morgen uw column op de site van de Morgen. Ik was aangenaam verrast over uw terecht uithaal naar de ondertussen beruchte uitspraak van Luc Bertrand, waarbij u het traditionele Vlaamse geklaag van VOKA in een juist perspectief plaatste. Een CEO van een bedrijf van een bedrijf dat 4,5 procent vennootschapsbelasting betaalt, maakt zich inderdaad vrij belachelijk wanneer hij het heeft over het ‘marxistisch beleid van de regering Di Rupo’.

Het is niet enkel belachelijk, eigenlijk wraakroepend, als je de lasten op de factor arbeid met die op de productiefactor kapitaal vergelijkt. De realiteit is dat de kost voor de financiering van het onderwijs, wegenonderhoud en gezondheid, vandaag bijna volledig bij de factor arbeid gehaald worden, en dat terwijl gevormde en gezonde arbeidskrachten en een uitgebouwde infrastructuur, vitaal zijn voor de reproductie van het kapitaal? Geen enkele Vlaamse KMO zou vandaag kunnen concurreren op de wereldmarkt, zonder de belastingen die de werkenden elke dag laten afhouden op de waarde die ze elke dag produceren. Jammer dat we VOKA nooit horen klagen over die onzichtbare rijkdom-transfers…

Ik ga echter niet akkoord met uw alternatief; de zogenaamde fiscale devaluatie. Die fiscale devaluatie zou een verschuiving inhouden van belasting op arbeid naar een belasting op consumptie. Ik wil hierbij een aantal redenen geven waarom ik het een slecht idee vind.

Ten eerste is een belasting op consumptie, zeker in de vorm van een BTW verhoging, buitengewoon asociaal. Zo’n belasting is immers voor iedereen even hoog, waardoor zwakker schouders relatief even zware lasten moeten dragen als sterke schouders. Bovendien wordt er verschoven van een relatief progressief systeem van lasten op arbeid, waardoor dit een wezenlijke achteruitgang zou zijn op vlak van de rechtvaardigheid van het belastingstelsel in vergelijking met vandaag. Dit wordt bovendien versterkt door het feit dat de consumptie relatief het hoogst ligt bij de minder rijke lagen van de bevolking. De meest gefortuneerden daarentegen kunnen hun vermogen nooit op consumeren en betalen daar dus minder lasten op dan vandaag. Sterker: wanneer zij overschot  van vermogen via financiële instellingen bijvoorbeeld doorsluizen naar consumentenkredieten; dan zijn het de schuldenaars die uiteindelijk lasten betalen op het inkomen van de rijken.

Maar buiten dit morele aspect, speelt voor mij ook de politiek-economische context waarin we ons bevinden. U verdedigt de fiscale devaluatie als een manier om export te promoten en op die wijze de werkloosheid te doen dalen. Men hoort zich eerst en vooral de vraag te stellen of het inzetten op verdere groei van de export een uitweg biedt, aangezien Vlaanderen, reeds één van de meeste competitieve regio’s van Europa, het afgelopen jaar een recordhoogte bereikte, met een groei van maar liefst 3,2 procent in tijden van crisis. Is dit een teken van een zwakke competitiviteit? Moet een stabiele economie niet vooral een handelsevenwicht nastreven.

Eigenlijk verschilt deze fiscale devaluatie niet zo heel sterk van andere devaluaties. In principe betekent zo’n fiscale devaluatie immers een verdoken, zij het legale, exportsubsidie en een import tax in vergelijking met de bestaande situatie. Net zoals bij competitieve muntdevaluaties worden kunstmatige barrières opgetrokken voor de handel en wordt de moeilijke economische conjunctuur op deze manier verder afgewimpeld op de handelspartners. In die zin doet dit soort exit-strategieën voor de crisis sterk denken aan de politiek van beggar-your-neighbour van de jaren ’30.

Binnen de context van de huidige crisis van de Eurozone, kan dit bijzonder kwaadaardige gevolgen hebben. De Zuid-Europese landen kennen reeds een serieus competitiviteitsprobleem, als gevolg van de financiële speculatie  sinds de invoering van de euro. Het opkrikken van die competitiviteit, is samen met begrotingsorthodoxie ondertussen de alfa en omga geworden van het Europese beleid in deze landen. De interne koopkracht, lokale economieën en wat rest van de sociale welvaartsstaat worden er opgeofferd voor het terug winnen van wat competitiviteit op hun, grotendeels Europese, exportmarkten. Als terzelfdertijd organisaties als VOKA deze hervormingen aangrijpen om zelf hervormingen te eisen om de Vlaamse competitiviteit te vrijwaren of te versterken; dan zijn we in een negatieve spiraal terecht gekomen, waarbij de koopkracht, levensomstandigheden en vooral democratische autonomie in alle landen het slachtoffer worden van wat “de markten” eisen.

Er is uiteraard een probleem met de lasten op arbeid, maar geen enkel waar VOKA over kan klagen; integendeel. Diegenen die recht hebben van klagen, zijn eerst en vooral de werkenden zelf, en eventueel de zelfstandigen en kleine bedrijven, die niet genoeg fiscale expertise aan boord hebben om belastingen te ontwijken en geen extra werkkracht kunnen permitteren en de oneerlijke concurrentiestrijd verliezen.
Belastingen zijn eerst en vooral interne transfers van rijkdom binnen een samenleving. Ze zijn het resultaat van interne machtsverhoudingen,  machtsverhoudingen die onder de neoliberale globalisering gevoelig verschoven zijn in het voordeel van de grote, exportgerichte bedrijven en financiële instellingen, wat verklaart waarom het kapitaal vandaag belachelijk weinig belastingen moet betalen in vergelijking met arbeid. De Belgische bedrijven zijn er zo in geslaagd een groot deel van de kosten voor hun eigen reproductie te ontlopen en hebben die doorgeschoven naar de werkende bevolking. Dáár zit het probleem.

Met vriendelijk groeten,
Uw oud-student,


Jonas Van Vossole


Wednesday, September 26, 2012

Haben wir es nicht gewusst?


Dinsdag in Madrid, woensdag in Griekenland… zaterdag in Lissabon? In sneltempo zien we de Zuiderse EU-landen degraderen tot geweldadige politiestaten, waar gerechtvaardigd en geweldloos massaal social protest steeds vaker met de matrakken wordt geconfronteerd. Een spiraal van repressie lijkt hen terug te duwen in de richting van hun autoritaire en fascistische regimes van weleer.
Ondertussen doet de rest van Europa of zijn neus bloed. Hoogstens komt er een afkeurende opmerking tegenover het ‘buitensporige’ politiegeweld of vindt men dat de plaatselijke regeringen toch wat socialer horen te zijn. Maar toch negeert men makkelijkshalve de eigen verantwoordelijkheid, of liever die van onze noordelijke politici en financiele kapitaal. 

Zuid-Europa heeft haar democratie niet uitgehold uit vrije wil. Ze werd uitgehold door Europa en de financiele markten. Het is de finánciele orthodoxie en het populisme van Merkel, Rutte en co die er de democratie heeft gekaapt. Verkiezingen verwerden er slechts schijnvertoningen, waar regeerprogrammas vooraf worden opgelegd aan de “aanvaardbare partijen”. Goed bestuur verwerd er het anticiperend reageren op de wensen van Merkel en de finánciele markten, in een poging het gezicht van de nationale autonomie enigzins te kunnen redden.

Het geweld komt er niet toevallig. Net als de protesten en het toenemend aantal jongeren dat het Zuiden ontvlucht zijn ze het gevolg van de stijgende armoede en werkloosheid, én vooral het gebrek aan alternatief. Wat is een democratie zonder alternatieven? De alternatieven zijn onaanvaardbaar, zowel voor Merkel en co, als haar lakeien in de Spaanse, Griekse en Portugese regeringen. Schulden horen immers afbetaald te worden, de staat moet “ontvet worden” en de arbeid competitiever. Daarbij vergeet men wel gemakkelijk dat investeringrisico werkelijk een risico hoort te betekenen, zelfs volgens de klassieke economische school, dat dat “vet” nogal mager is in Zuid-Europa, met gebrekkige sociale zekerheid en openbare diensten, én dat de lonen eigenlijk al onmenselijk laag liggen voor “beschaafde” landen.

In de jaren ’30 was de opgang van fascistische regimes een gevolg van economische wurging van de samenleving, van de eis tot terugbetaling van  onbetaalbare oorlogsschulden en het waanzinnig slechte management van de crisis. Ze was het gevolg van een gebrek aan een economisch alternatief op het falend vrije markt model. Het huidig toneel lijkt een slechte remake te worden van die tragedie van weleer, met onze eigen politieke en economische elite in de hoofdrol. Als de Grieken, Spanjaarden en Portugezen hun democratische inspraak hebben verloren, is het dan niet onze taak de onze te gebruiken? Of doen we alsof we er niets mee te maken hebben?

Tuesday, August 28, 2012

Sloeg Prof. Verhaeghe de bal mis?

Na een interessant opinieartikel van professor Paul Verhaeghe over  de rol van het neoliberalisme op vlak van psychologische gezondheid in onze samenleving, diende Jan Denys, arbeidsmarktdeskundige bij Randstad hem in de Morgen van 25/8 van antwoord onder de titel: ‘Paul Verhaeghe heeft het mis: onze samenleving is niét neoliberaal’. Dat staaft hij met het “feit” van een overheidbeslag van meer dan 50 procent. Daarenboven stelt hij dat er zich op de arbeidsmarkt, waar flexibilisering en competitie volgens Verhaeghe een belangrijke factor vormen van psychische problemen binnen een neoliberale samenleving, geen enkel probleem is; aangezien de overgrote meerderheid mensen best tevreden zijn met het werk dat ze doen, en slecht een ‘kleine minderheid’ van 19 procent klaagt over gebrek van sociale steun van hun leidinggevenden.

Jan Denys slaat de bal echter volledig mis wanneer hij “overheidsbeslag” als graadmeter voor neoliberalisme gaat beschouwen. Neoliberalisme is een politieke tendens sinds de jaren ‘80 om de principes van marktwerking zo sterk mogelijk uit te breiden om op deze manier zo weinig mogelijk barrières te hebben voor de accumulatie van kapitaal en de reproductie van de kapitalistische economie. Het terugdringen van de staat kan één van de gevolgde pistes zijn, maar ze is niet de enige, en ze is zeker niet een conditione sine qua non voor het neoliberalisme.

Privatiseringen, de afbouw van openbare diensten en het verlagen van verschillende belastingen vormen inderdaad een mogelijke piste voor zoverre dat die afbouw van de staat de marktwerking versterkt. Maar het versterken van een staat ten diensten van een economische elite en complementair aan de markt kan evenzeer deel zijn van deze neoliberale tendens. We denken dan bijvoorbeeld aan economische diplomatie, de creatie van nieuwe markten, investeringen in onderzoek en ontwikkeling, het handhaven van een liberale rechtsstaat en de legitimering en desnoods gewapende verdediging  van de bestaande sociaaleconomische orde.

Een sterke, uitgebouwde staat is complementair aan het neoliberalisme wanneer de principes van marktwerking intern op haar worden toegepast, wanneer flexibilisering, efficiëntie, competitie en groei het leidmotief worden binnen haar organisatie, en als enige correcte invulling worden gezien van “goed bestuur” en “gezond verstand”. Dergelijke principes, die contrasteren met andere mogelijke, minder neoliberale principes van organisatie zoals eerbied, traditie, solidariteit, familiale banden, persoonlijke relaties, vertrouwen, zekerheid, samenwerking…  zorgen er uiteraard voor dat de scheiding tussen de organisatie van de markt en de staat grotendeels wegvalt. In die zin is de tegenstelling tussen staat en markt van de kant van de neoliberale ideologen vaak een schijntegenstelling, waarbij men verbergt dat neoliberalisme eerst en vooral een politieke tendens is, een politiek vàn publieke instellingen, en níet van de onzichtbare hand van de markt. Zijn het immers geen almachtige publieke instellingen die de privatiseringen en saneringen in Zuid-Europa vandaag opleggen? Wordt het IMF niet geleid door politici? Is de keuze om te luisteren naar ‘de markten’, niet een duidelijke keuze over hoe we naar de samenleving kijken, en dus een politieke keuze?

Het is deze maatschappij-wijde toepassing van de principes van de marktwerking, in een poging markten uit te breiden, die bijzonder schadelijke sociale en psychologische implicaties hebben. De gevolgen zijn zelfs zo doorgedreven dat de waarde van de door de heer Denys aangehaalde statistieken betwijfelbaar wordt, aangezien de ideologische hegemonie van het neoliberalisme zelfs gaat gaan herdefiniëren wat “het goede leven is”, en met name wat het betekent om “tevreden te zijn met zijn werk”, waarbij dit wordt geherdefinieerd op basis van succes, carrièreverloop, loon en status, in plaats van bijvoorbeeld sociaal nut, familie, werkplezier, kameraadschap en sociale contacten, ethiek, zekerheid,…

De Heer Denys verwijt Professor Verhaeghe dat hij bevooroordeeld is in deze discussie vanwege zijn “hulpverleningskarakter”. Hij zou daarbij teveel geconfronteerd worden met de probleemgevallen van onze samenleving. Ik wil bij deze niet bevooroordeeld zijn tegenover de heer Denys, maar gezien zijn positie als arbeidsmarktdeskundige bij een uitzendkantoor, een van de meest ver doorgetrokken bedrijfsinnovaties binnen het neoliberalisme, gebaseerd op flexibiliteit zonder zekerheid, precaire contracten, onbestaande syndicale rechten… had ik van hem geen ander standpunt verwacht… wiens brood men eet…

Wednesday, February 1, 2012

Geloof in de Politiek

Soms wordt gesteld dat de lonen van politici hoog moeten liggen om de beste beleidsvoerders aan te trekken. Als de lonen lager zouden zijn zouden de beste beleidsmensen anders kiezen voor een job in het bedrijfsleven en zou de gemeenschap in het algemeen enkel de minder goede managers hebben. Deze bewering is echter vals. Het doel binnen een democratie is niet van "de beste managers" aan te trekken vanuit een technocratische visie; het doel van een parlementaire democratie is in principe om vertegenwoordigers te selecteren die een beleid voeren dat legitiem wordt geacht door de bevolking. in principe zou een politicus vooral moeten bezig zijn met het welzijn van zijn kiezers, in plaats van met zijn carriere. Eigen sociaal engagement en niet de verloning zou dus de drijfveer moeten zijn.



Soms wordt gezegd dat de hoge lonen van politici ervoor moeten zorgen dat politici financieel onafhankelijker zouden zijn en daardoor minder neiging zouden hebben tot corruptie. Daar zijn serieuze vragen bij te stellen, vooral gezien de invloed van grote bedrijven op het beleid. Als we zien hoeveel politici aan het einde van hun carriere, of zelfs nog tijdens hun carriere, terecht komen in allerlei raden van besturen, en we leggen daar bijvoorbeeld maatregelen als de notionele intrestaftrek naast, dan moeten daar weinig tekeningen bij gemaakt worden. De lonen van politici zijn hoe dan ook in het algemeen zijn te hoog. Met een minimumloon van 8800 euro als parlementslid kan je je hoegenaamd niet inleven in de sociaal-economische situatie van de meerderheid van je kiezers.



Toch denk ik niet dat het loon van politici de belangrijkste reden is dat mensen het geloof in de politiek verloren zijn. Het heeft vooral te maken met het feit dat mensen het idee hebben dat "ze toch allemaal dezelfde zijn". In tegenstelling tot vroeger, toen een partij als de BWP nog de werkende mens verdedigde tegen sociale afbraak en uitbuiting, of er tenminste nog een CVP bestond - die de gemeenschap, het ACW en plaatselijke tradities verdedigde - heeft de huidige generatie jongeren nooit echte ideologische politieke partijen gekend. Wat vandaag partijen genoemd worden zijn enkel technocratische kiesmachines die nagenoeg allemaal hetzelfde sociaal-economische programma nastreven, op een paar sociale, groene, conservatieve of nationalistische accenten na. Wat onze generatie heeft leren kennen als partijpolitiek, is eigenlijk helemaal geen politiek meer, maar neoliberaal maatschappelijk management zonder enig ideologisch of maatschappelijk relevant debat. De jongeren van vandaag hebben nooit parlementaire partijen gekend met een massale ledenbasis waar je echt actief in kon militeren en waar de leden in zekere zin een invloed konden hebben op de werking van de partij. Doordat we nooit anders gekend hebben, heeft deze generatie dus het vertrouwen in de politiek ook niet "verloren". Daardoor denk ik dat teveel jongeren een cynische levensvisie zijn aangeleerd en dat soort non-democratie als "normaal" zijn gaan beschouwen.



Toch zie je sinds een tweetal jaar een kentering. Veel van mijn generatiegenoten die vroeger afstandelijk waren tegen alles wat politiek was, lijken zich dikwijls kritischer te gaan opstellen. De crisis van het kapitalisme heeft wel degelijk een laag jongeren terug wakker geschud. Door de depolitisering van de politiek zoekt deze nieuwe generatie kritische jongeren voorlopig andere wegen van verzet en politiek engagement, vaak bestempelen ze zichzelf zelfs als apolitiek of anti-politiek, zoals veel jongeren binnen de indignados en de occupy-beweging. Dit is naar mijn mening echter een interne tegenstelling; elke vorm van georganiseerd verzet tegen de gang van zaken is per definitie politiek. Hoe deze laag nieuwe bewuste jongeren zich in de toekomst verder gaat organiseren zal de toekomst uitwijzen, maar verdwijnen zullen ze niet. In die zin zijn de door humo aangehaalde jongeren de generatie van het nabije verleden. De indignados zijn de jongeren van de nabije toekomst. De sociale onrust onder jongeren werd overigens als een van de belangrijkste gevaren bestempeld voor 2012 door het WEF. Mocht ik traditioneel politicus zijn, ik zou toch beginnen wakker liggen.